De balans tussen geven en nemen
Er zijn mensen die alles voor een ander overhebben en tegelijk nauwelijks iets voor zichzelf durven vragen. Misschien herken je dat.
Geven voelt voor veel mensen lichter dan ontvangen. Je weet wat je te bieden hebt, je ziet de ander er blij van worden, en je hoeft je eigen behoefte niet op tafel te leggen. Bij ontvangen ligt dat anders. Dan moet je laten zien wat je nodig hebt, en erop vertrouwen dat de ander dat wil geven. Dat is voor veel mensen het ongemakkelijke stuk.
Op korte termijn kun je prima veel geven. Je bent de betrouwbare collega, de vriendin die altijd klaarstaat, de leidinggevende die alle ballen opvangt. Maar een weegschaal die steeds naar een kant hangt, raakt op den duur uit balans. Vaak merk je dat niet aan een groot moment. Je merkt het aan kleine dingen: een lichte wrevel na een gunst, het gevoel dat niemand vraagt hoe het met jou gaat, vermoeidheid die je niet goed kunt plaatsen.
En eerlijk is eerlijk: teveel geven is zelden alleen maar edelmoedig. Er zit vaak iets onder dat met jezelf - en jouw relatie met geven en ontvangen - te maken heeft. Zolang jij geeft, hoef je je namelijk niet afhankelijk te voelen. Zolang jij nodig bent, ben je zeker van je plek en dat kan een bepaalde schijnveiligheid geven. Dat is één van de mogelijke ingangen naar diepere reflectie. Wat maakt dat geven veilig voelt, en ontvangen lastig is?
Tegelijk met constructieve reflectie, kan je direct al oefenen met het verschuiven van de balans door te oefenen met ontvangen: een compliment aannemen zonder het weg te wuiven, hulp accepteren die je eigenlijk best zelf zou kunnen, een keer zeggen wat je nodig hebt voordat iemand ernaar vraagt... het kan vanalles zijn! Dat voelt in het begin onwennig, en dat hoort erbij, want het is iets wat je zelden doet.
Waar hangt jouw balans op dit moment, en wanneer heb je voor het laatst iets ontvangen zonder er meteen iets tegenover te zetten?